4. Almere-Buiten (I)

De familie Klaver: een feuilleton

Deel 4: Waarin Frank overweegt naar Almere te verhuizen en Marine denkt aan een scheiding

Frank had een afspraak gemaakt met een makelaar in Almere om huizen te kijken. Martine, die van niets wist, had flink tegengesputterd. Volgens haar woonden ze prima. Ze hadden tien jaar geleden - vlak voordat de huizenprijs was geëxplodeerd - een nieuwbouwhuis met een grote tuin gekocht in de Plantagebuurt. Wat wilde je nog meer? Dat kon Frank ook niet zo goed uitleggen, alleen dat zijn collega Jos zo positief was over zijn nieuwe woonplaats. Sinds hij er woonde had hij het telkens over het ‘Almere-gevoel’. Uiteindelijk had ze toch ingestemd om op een vrijdagmiddag mee te gaan naar Almere-Buiten.

Het was niet bepaald goed huizen-kijk weer: het miezerde de hele dag al en de wind was stormachtig. Martine liep zwijgend achter Frank en de makelaar aan. Ze was toen ze de auto uitstapte tot haar enkels in de modder weggezakt en had er meteen spijt van dat ze haar nieuwe laarsjes met jaguarmotief had aangetrokken. De makelaar was van het soort waarvan je nog geen schuurtje zou willen kopen. Het eerste wat hij tegen hen zei was: ‘Gefeliciteerd dat u voor Almere kiest.’ En vervolgens begon hij een tirade over Amsterdam waar het - als je hem moest geloven - een wonder was als je na een dag nog niet was beroofd, neergestoken, verkracht of onder de tram was gekomen. En het was wel duidelijk wiens schuld dat was. Hij wilde niet discrimineren, maar...’. Wij komen om huizen te bekijken’, kapte Martine hem af. ‘Niet om te luisteren naar uw visie op maatschappelijke problemen,’ Frank bewonderde deze assertiviteit bij zijn vrouw. Hij zou zoiets nooit durven zeggen.

Het laatste huis, een ‘twee-onder-één-kap’, was het eerste huis waarvoor Martine enig enthousiasme toonde. Dat was na vijf minuten echter alweer verdwenen. Samen stonden ze op een houten vlonder te kijken naar een kale vlakte die ooit tuin zou moeten worden. De wind gierde er overheen en de regen had vrij spel. Net toen ze weer naar binnen wilden ging de keukendeur van de buren open en kwam de buurvrouw naar buiten met een tafelkleed in de hand dat ze uitklopte. Even dachten ze dat ze gek werden: de vrouw leek als twee druppels water op de bovenbuurvrouw. ‘Hallo, wordt u onze nieuwe buren?’, vroeg de vrouw. ‘Nou, zover is het nog niet hoor’, zei Frank. ‘Oh, vindt u het geen mooi huis?’ Jawel hoor, zei Frank. ‘Mag ik vragen: hebt u kinderen?’, vroeg de vrouw. ‘Ja, twee meiden’. antwoordde Frank. ‘Oh, nou ja, dat is beter dan jongens, die maken altijd zo’n lawaai en daar kan mijn man niet tegen, die is hartpatiënt moet u weten. En u moet beslist geen bamboe in de tuin planten. Dat groeit als onkruid en dan krijg ik het ook in mijn tuin.’ ‘Mijn god’, dacht Frank, ‘ook het laatste voordeel van in de polder wonen is weg, enk je verlost te zijn van de bovenbuuf, krijg je haar hier in het kwadraat terug.’