2. 'Van onderen'

De familie Klaver: een feuilleton

Deel 2: waarin Martine bijna wordt geplet door een vallende koelkast

Martine schrok zich wezenloos toen ze de voordeur opendeed en twee agenten zag. 'De kinderen’, ging het door haar heen. ‘Wat was er gebeurd?’ Maar toen zag ze dat het agenten van de milieupolitie waren. ‘Is deze rommel van u?’, vroeg één, terwijl hij wees op een oude oliekachel, een krakkemikkige bank en wat uit elkaar gevallen kastjes die de stoep geheel en al blokkeerden. Martine liep naar de rommel toe en zei: ‘Natuurlijk niet, het ligt toch niet voor mijn huis: het ligt toch bij de buren op de stoep. Het zal wel van de krakers op 3-hoog zijn; die storen zich nergens aan’. De milieuagent wilde wat terugzeggen, maar opeens klonk er van boven een luide gil: ‘Van onderen’ Martine keek omhoog en kon nog net opzij springen voor een vallende koelkast die met een luide knal op de stoep belandde. ‘Sorry’, klonk het van boven. ‘Sorry? Wat nou ‘sorry, idioot die je bent. Ik was bijna dood geweest en jij zegt ‘sorry’, gilde Martine woedend. ‘Ik zeg toch sorry, hij glipte uit mij handen’, zei de jongeman vanaf 3-hoog.

‘Dat moet je ook niet in je eentje doen, lulhannes’ zei een snerpende stem: de bovenbuurvrouw was ook op straat verschenen. ‘Ik schrik mijn eigen lam. Heb je dat ooit gezien: iemand die in zijn eentje een koelkast naar beneden wil takelen. Hé Tarzan, je had bijna iemand vermoord.’ Maar Tarzan liet zich niet meer zien, dus richtte de buuf haar aandacht op de twee agenten. ‘Zeg, wat staan jullie daar nou te lummelen’, zei ze. ‘Ga naar boven en arresteer die vent’. De twee agenten liepen naar de deur en drukten op de bel voor 3-hoog, maar er werd niet opengedaan. De bovenbuurvrouw zag het hoofdschuddend aan. ‘Ja, wat denk je dat hij opendoet en met koffie en gebak klaarzit... Het zijn krakers, die doen nooit open en zeker niet voor de politie.’

Martine stond nog op haar benen te trillen van de schrik. ‘Kom buuf, we drinken even een glaasje tegen de schrik’, zei de bovenbuurvrouw, maar Martine werd nu gered door haar mobiele telefoon. Het was Frank die vertelde dat hij onverwacht met wat klanten uit eten moest vanavond. ‘Maar wij zouden toch uit eten’, zei Martine, die zich erg verheugd had op het etentje. Ze leefden nogal langs elkaar heen de laatste tijd. Frank aasde op een interne vacature op de zaak en was regelmatig pas ’s avonds laat thuis. ‘Hij zal toch geen vriendinnetje hebben’, knipoogde de bovenbuurvrouw die de conversatie gevolgd had. ‘Nee, natuurlijk niet’, zei Martine met een scheef lachje, ‘Zo is Frank niet’, maar haar stem klonk minder zeker dan ze had gewild. Was Frank niet zo?